De chinchilla ( Chinchilla lanigera) leefde oorspronkelijk in het Andesgebergte in Zuid Amerika (vnl. Chili en Peru). Het dier is bekend vanwege zijn zachte en dichte vacht, uit elke haarwortel groeien 40 tot 120 haren. In de 19 e eeuw was chinchillabont samen met koffie en tabak een van de belangrijkste exportproducten van Zuid Amerika. Rond 1920 waren er nog maar weinig chinchilla’s in het wild over, men schat dat er nog ca. 3000 in onherbergzame gebieden vrij leven.

Chinchilla’s komen tijdens schemer en dageraad te voorschijn om in de zon te vertoeven. Verder leven ze ’s nachts. De grote snorharen (kunnen tot eenderde van de lichaamslengte van het dier zelf bereiken) worden gebruikt om de weg in het donker te vinden. Chinchilla’s kunnen verschillende geluiden maken. In de dagelijkse omgang piepen of knorren ze zacht. Als er gevaar dreigt gaan ze blaffen om de rest van de groep te waarschuwen. Is een chinchilla kwaad dan gaat hij rechtop staan, gromt, tandenknarst en sproeit zijn tegenstander onder met urine. Onder de buik van de chinchilla bevindt zich een geurklier.