Het wilde konijn komt voor in vrijwel geheel West- en Midden Europa. Ze komen voor in grasland en open bosachtig gebied. Ze zijn vooral in de schemering en de nacht actief. Konijnen behoren tot de haas-achtigen en niet tot de knaagdieren, zoals voor de hand lijkt te liggen. Het verschil zit in de stift tandjes: de kleine tandjes achter de grote voortanden.

Konijnen zijn al vruchtbaar vanaf het moment dat ze 5 maanden oud zijn. De paartijd loopt van januari tot juli. Vrouwtjes kunnen gedekt worden op een leeftijd van 5-9 maanden. De dracht duurt 29-33 dagen. Het vrouwtje is direct na de bevalling weer vruchtbaar.

Voor de bevalling trekt het vrouwtje plukken haar bij zichzelf uit en maakt daar samen met strooisel een nest van. Als je een vrouwelijk konijn hebt zal zij dit ook doen zonder dat zij een nestje heeft gekregen.

Het aantal jongen varieërt van 3 tot 7 en het aantal nesten per seizoen ligt tussen de 2 en 3. De moeder graaft een aparte kraamkamer en zij bezoekt de jongen slechts één à twee keer per dag om ze te zogen, wat in een minuut of drie gebeurd is. De ingang van het kraamhol wordt na elk bezoek zorgvuldig dichtgemaakt en verstopt onder droog gras. De pasgeboren konijntjes zijn naakt, blind en doof. De eerste tien dagen kunnen ze zich nauwelijks bewegen. Op de elfde dag gaan de ogen open. Met 16 dagen gaan ze vast voedsel eten en groeien ze van 30 gram tot 250 gram in 6 weken.

Konijnen kennen een veelfout aan geluiden. Een verschrikt konijn geeft alarmsignalen door met beide achterpoten tegelijk op de grond te roffelen en kunnen zij heel luid schreeuwen. Een moederkonijn gromt en knort als zij met de jongen bezig is.