De tamme rat stamt af van de laboratoriumrat (die op zijn beurt ontstaan is door selectief fokken van de bruine rat). Door speciale fokprogramma’s in ratteries probeert men de onnatuurlijke genetische kenmerken van de laboratoriumrat (zoals gevoelige longen en aanleg voor tumoren) er uit te fokken. Inteelt en erfelijke aandoeningen zijn een niet te onderschatten probleem onder tamme ratten en er wordt sterk aangeraden het fokken enkel aan de ratteries over te laten.

De tamme rat is niet onder te verdelen in rassen maar wel in variëteiten. De variëteit bestaat uit de kleur, tekening, oorstand en vachtsoort. Ratten met rode ogen (en soms ook robijn ogen of zwarte ogen) zien vaker wat slechter. Omdat ze toch alles willen zien gaan ze ritmisch met hun hoofd van links naar rechts. Dit noemt men ‘zekeren’ en is niet schadelijk. Achter de oogbol zit bij ratten de hardense klier die een vetrijk en porphyrine rijk vocht produceert. De porphyrines geven een rode kleur aan het oogvocht dat normaal tijdens het wassen over de vacht verspreid wordt. Bij overmatige productie door ziekte of stress ziet u echt rood vocht uit de ogen en neusgaten komen dat foutief voor bloed wordt aangezien.